Het was warm en donker,
het hondje nestelde zich bij de anderen en wachtte om weder geboren te
worden. Doodsbang was hij. Hij bleef achter zolang hij kon, uiteindelijk
werd hij eruit getrokken aan zijn
achterpootjes. Handen zonder bont hielden hem voorzichtig vast en veegden hem droog, openden
zijn mond en leidde hem naar een warme tepel met melk.
Hij kon hem niet goed
vasthouden, want een van zijn dikke broers duwde hem opzij.
De menselijke hand schoof de
andere pup naar een andere tepel en hield ter ondersteuning zijn lijfje vast zodat hij kon
drinken. Ahhh, dat is beter dacht hij en dronk totdat zijn kaakjes
er moe van werden en doezelde
in slaap naast zijn harige moeder.
"Ik herinner mij dit", peinsde
hij, jammer dat hij weer op moet groeien om klappen te krijgen, achter gelaten
worden in de koude regen en gebruikt voor hondengevechten en te sterven als een hond die
niemand wil. "Ik herinner mij hoe het was om hond te zijn",dacht hij droevig.
Die nacht kroop hij naar zijn
moeder en probeerde te drinken, maar de anderen bleven hem wegduwen, hij kon er niet
bijkomen. Toen ze eindelijk verzadigd waren en hun achterste schoon was gelikt, kon hij
eindelijk een tepel bemachtigen. Maar de menselijke handen waren er niet om hem te steunen
en er was in geen enkele tepel nog een druppel melk te vinden. Hij was zwak en
zo klein, het was zelfs moeilijk om recht overeind te blijven, hij
viel om, rolde op zijn rug en kon
zelf niet meer omhoog komen.
Hij begon heftig te janken en
plotseling waren de mensenhanden daar, ze tilden hem op en duwden een rubber
ding in zijn mond. Het smaakte en voelde niet zoals zijn moeder, maar het was
warm en haalde dat rare gevoel uit zijn buikje weg. Even later had hij moeite
met ademen, zijn longen waren niet voldoende ontwikkeld, omdat hij te lang had
gewacht om zich bij de anderen aan te sluiten toen hij nog snel een
stoeipartijtje wilde doen bij de regenboogbrug. Hij voelde de
hartslag van de mens, die hem op haar borst had gelegd en hij werd bedekt met warme stof om
hem warm te houden en zijn benige lijfje werd met zachte tedere bewegingen
gemasseerd.
Hij bleef maar denken aan zijn
nieuwe vrienden die zo aardig voor hem waren bij de brug en
vroeg God of hij terug mocht.
"Ja", "zei God", "maar nu nog niet, jij wilde toch weten wat liefde
was?"
Dus, voor de komende uren (het
leken wel dagen,maar het was donker en hij kon niet weten hoe laat het was) gaven de
mensen hem bijvoeding en lieten hem kennis maken met de warmte van zijn moeders
lichaam en haar tong en een hoop warme zachte metgezellen.
Hij werd steeds zwakker en de
mens pakte hem steeds vaker, ze lieten de andere pups slapen, terwijl hij werd
vertroetelt en gekust, hij mocht luisteren naar een hartslag die
sterk en liefdevol was.
Uiteindelijk kwam God terug en
vroeg: "Ben je klaar om terug te komen naar de Regenboogbrug?" "Ja,"gaf hij als
antwoord..... met een beetje spijt, want de mens wilde hem niet laten gaan, die
zat te huilen. Hi, nog stevig drukte de laatste lucht uit zijn longen en
zweefde terug naar de Regenboogbrug.
Hij keek nog achterom naar de
mens, die nog steeds zat te huilen en het levensloze lijfje, dat hij geleend had
voor zijn reis, nog stevig vast hield.
"Dank je God", zei hij. "Liefde
is prachtig en ik zal wachten bij de Regenboogbrug en de
mens laten weten, als ze
komt.........dat ik ook van haar houd".